datum - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord datum data, datums
verkleinwoord datumpje datumpjes

Zelfstandig naamwoord

de datum m

  1. (tijdrekening) een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
    • De datum waarop de brief geschreven was is 11-04-1933.
    • De ISO-8601 notering van de datum 28 juli 2016 is 2016-07-28 of 2016-W30-4
      Peg zou Peggy Guggenheim kunnen zijn, R kon Robles zijn; de datum klopte, en het telegram was naar Malaga gestuurd, waar Robles volgens Reede had gewoond.[2]
      Gebruikers van deze app lieten opmerkingen achter om kwaliteit en kwantiteit van het water aan te geven, voorzien van een datum, waaruit op te maken was of een bron wel of niet was opgedroogd.[3]
  2. gegeven
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "datum" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

datum

  1. (tijdrekening) datum; een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar

Fries

Zelfstandig naamwoord

datum

  1. (tijdrekening) datum; een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
Synoniemen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

datum o

  1. (tijdrekening) datum; een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
    «Datum konání akce bylo stanoveno na zítřek.»
    De datum van de actie is vastgesteld op morgen.
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | datum | data | | genitief | data | dat | | datief | datu | datům | | accusatief | datum | data | | vocatief | datum | data | | locatief | datu | datech | | instrumentalis | datem | daty |

Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen