debiel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord debiel debielen
verkleinwoord debieltje debieltjes

Zelfstandig naamwoord

de debiel m

  1. (scheldwoord) iemand die min of meer zwakzinnig is
    • Vroeger werd iemand met een IQ tussen 50 en 75 bestempeld als een debiel.
  2. (scheldwoord) bespottelijk iemand, halve gare, idioot zn
    • Die debiel maakt zichzelf belachelijk door te denken dat hij grappig is.
    • Kamerleden van de PVV schamen zich rot voor kandidaten van hun eigen partij voor de gemeenteraadsverkiezingen: “Er melden zich de grootste debielen aan voor de PVV-klasjes. De minst erge springen er dan positief uit. Maar het blijven debielen”, zegt een niet bij naam genoemd Kamerlid. [5]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. iemand die min of meer zwakzinnig is

2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen debiel debieler debielst
verbogen debiele debielere debielste
partitief debiels debielers -

Bijvoeglijk naamwoord

debiel

  1. (scheldwoord) in lichte mate zwakzinnig
    • Een debiel iemand zou die mop minder snel of niet doorhebben.
  2. (scheldwoord) bespottelijk, ridicuul
    • Die kerel is echt debiel als hij denkt dat hij dat kan.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

in lichte mate zwakzinnig

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. debiel op website: Etymologiebank.nl
  4. "debiel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  5. www.telegraaf.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be