dekken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
dekken dekte gedekt
zwak -t volledig

Werkwoord

dekken

  1. overgankelijk voorzien van een dak
    • Dat huis is met riet gedekt.
  2. overgankelijk de tafel ~ alles op tafel leggen en zetten voor het houden van een maaltijd
    • Zij dekte de tafel voor het kerstmaal.
  3. overgankelijk een verzekering voor een eventualiteit afgesloten hebben
    • Het geleden verlies bleek maar gedeeltelijk gedekt.
  4. overgankelijk ondersteuning voor iets verlenen
    • De regering dekte zijn eigenzinnige optreden niet langer.
  5. overgankelijk (dierkunde) (veeteelt) (seksualiteit) een bronstig vrouwtje (bijv. merrie, koe, ooi) bevruchten (door het mannetje)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

de dekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dek

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1 2 3 4 "dekken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Gronings

Zelfstandig naamwoord

dekken

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
Schrijfwijzen

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

dekken

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
Schrijfwijzen
Synoniemen