dier - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dier dieren
verkleinwoord diertje diertjes

Zelfstandig naamwoord

het dier o

  1. (dierkunde) met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
    Pietje werd er wakker van en liep vlug naar het rillende dier toe.[4]
    Om overlast van het ongedierte te voorkomen, besteedt de gemeente vanaf dit jaar jaarlijks een kwart miljoen euro extra aan preventie. Dat is een verdubbeling. De gemeente waarschuwt dat het doden van de dieren niet bijdraagt aan het verminderen van overlast. "Als de oorzaken van rattenoverlast niet worden weggenomen, keren ratten altijd terug en blijft overlast terugkomen."
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Anagrammen
Vertalingen

1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen

Aanwijzend voornaamwoord

dier

  1. (verouderd) genitief vrouwelijk enkelvoud van die
    «Het huis dier vrouw.»
    Het huis van die vrouw.
  2. (verouderd) genitief meervoud van die
    «Het gedrag dier lieden.»
    Het gedrag van die lui.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dier dierder dierst
verbogen diere dierdere dierste
partitief diers dierders -

Bijvoeglijk naamwoord

dier [7]

  1. kostbaar
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. dier op website: Etymologiebank.nl
  3. "dier" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  5. dier op website: Etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. (dierkunde) dier

Meer informatie

Fries

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. dier
Afgeleide begrippen

Luxemburgs

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

dier

  1. dor

Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. (dierkunde) dier; met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen

Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord dier diern / dieren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. (dierkunde) dier; met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Schrijfwijzen
Synoniemen

Meer informatie

Meer informatie

Oudhoogduits

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

dier o

  1. (dierkunde) dier; met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Schrijfwijzen

Oudnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

dier o

  1. (dierkunde) dier; met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen

Verwijzingen

Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. genitief meervoud van diera

West-Vlaams

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. (dierkunde) dier; met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen