dorpeling - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpeling dorpelingen
verkleinwoord dorpelingetje dorpelingetjes

Zelfstandig naamwoord

de dorpeling m

  1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
    Een dorpeling meldde zich in onze achtertuin, ze lopen hier het liefst achterom, dat is dorps.[2]
    Er waren dorpelingen die vonden dat je in een National Park niet moet bouwen.[3]
Verwante begrippen
Vertalingen

1. inwoner van een kleine plaats op het platteland

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen