dorpeling - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dor·pe·ling
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dorpeling | dorpelingen |
| verkleinwoord | dorpelingetje | dorpelingetjes |
Zelfstandig naamwoord
de dorpeling m
- inwoner van een kleine plaats op het platteland
▸ Een dorpeling meldde zich in onze achtertuin, ze lopen hier het liefst achterom, dat is dorps.[2]
▸ Er waren dorpelingen die vonden dat je in een National Park niet moet bouwen.[3]
Verwante begrippen
- mannelijke vorm van dorpelinge
Vertalingen
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
Gangbaarheid
- Het woord dorpeling staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "dorpeling" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |