dosis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dosis doses, dosissen
verkleinwoord dosisje dosisjes

Zelfstandig naamwoord

de dosis v

  1. (medisch) hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
    • Omdat het medicament onvoldoende werkte verdubbelde de arts de dosis.
  2. afgemeten hoeveelheid van iets
    De ouders hadden de kinderen van 10 en 12 na een hoop gedoe voor een halfjaar van school kunnen uitschrijven om gezamenlijk de PCT te lopen. De kinderen hadden meer dan genoeg aanspraak met alle hippies om zich heen en leken volop te genieten van het avontuur. Een prachtig voorbeeld van ‘gewoon doen’ met een gezonde dosis doorzettingsvermogen.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "dosis" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. dosis op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
dosis dosis

Zelfstandig naamwoord

dosis v

  1. dosis

Verwijzingen