dreigend - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

dreigend

  1. onvoltooid deelwoord van dreigen
  2. attributief gebruikt
    • Door de met politie-ingrijpen dreigende brieven liep de spanning verder op.
  3. bijwoordelijk gebruikt
    • Dreigend met een groot mes liep hij op mij af.
      Een volgende metershoge muur van water raasde alweer dreigend op hen af, donkerder dan de hen omringende nacht.[1]
      Maren torent krijtwit en dreigend boven haar uit en draait haar als een lappenpop naar zich toe.[2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dreigend dreigender dreigendst
verbogen dreigende dreigendere dreigendste
partitief dreigends dreigenders -

Bijvoeglijk naamwoord

dreigend

  1. angst oproepend voor iets dat gaat gebeuren
    • De dreigende houding van de man maakte iedereen bang.
  2. op het punt staan te gebeuren (van iets naars)
    • Er is een dreigend tekort aan leraren.
    • Hij waarschuwt voor een dreigend financieel debacle met de bouwplannen.
      Eerst nog met alleen felle windstoten die aan onze jassen rukten en ons lieten wiebelen op het steile pad, maar inmiddels is de lucht bijna zwart en lichten de kale bergen voor ons op onder felle lichtflitsen die vergezeld gaan van dreigend gedonder.[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


  1. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375

  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  3. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be