een - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Lidwoord

[A] een

  1. onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
    • Is dat een merel of een kauwtje?
      De gemeente Den Haag is tevreden. Wethouder Robert Barker (Partij voor de Dieren) noemt de uitspraak een duurzame mijlpaal. "Deze uitspraak laat zien dat gemeenten niet machteloos zijn, maar wel degelijk instrumenten hebben om de klimaatcrisis aan te pakken."[4]
  2. ook voor meervouden in uitroepende zinnen die verbazing over een aantal uitdrukken
    • En een mensen dat er kwamen kijken!
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1e: nominatief een oude gast ene oude jurk een oud paard
2e: genitief eens ouden gasts ener oude jurk eens ouden paards
3e: datief enen ouden gaste ener oude jurk enen oud paarde
4e: accusatief enen ouden gast ene oude jurk een oud paard
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
Verwante begrippen
Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
1066 1069 1072 1075 1099 10100 10120 10303 103003

Hoofdtelwoord

[B] een

  1. "1", het kleinste gehele getal, het getal tussen nul en twee
    1. om een hoeveelheid aan te geven
      • De totale kosten bedragen een euro en zevenendertig cent.
    2. om een plaats in een volgorde aan te geven
      • Het juiste antwoord op opgave een is "42".
  2. een geheel vormend
    • Deze drie partijen zijn een geworden.
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen

zelfstandig naamwoord, samengesteld met "een" ht

bijvoeglijk naamwoord, samengesteld met "een" ht

bijwoord

rangtelwoord

hooftelwoorden samengesteld met "een" ht als rechterdeel

[B] enkelvoud meervoud
naamwoord een enen
verkleinwoord eentje eentjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de een v / m

  1. dat wat in een (rang)ordening met 1 is aangeduid
    • Gezondheid is bij mij altijd een.
    • De een voor zijn proefwerk Nederlands was een straf voor afkijken.
  2. het cijfer 1
    • Op zijn proefwerk stond een onderstreepte, rode een.
    • Het symbool l voor "liter" wordt gemakkelijk verward met de een.
  3. enkel iets of iemand (als tegenstelling met meerdere)
    • Zij zat daar in haar eentje en niemand die met haar praatte.
    • Oké geef me er nog maar een, maar dat is dan ook echt het laatste wijntje dat ik drink.
Schrijfwijzen
Typische woordcombinaties
Afgeleide begrippen

samenstellingen met "een" zn als eerste deel

Bijvoeglijk naamwoord

[B] een

  1. verschillende zaken die zo met elkaar verbonden zijn dat ze eigenlijk een voorwerp geworden zijn
    • De beroemde violist was een geworden met zijn viool.
    • Ook al komen we uit verschillende landen, samen vormen we één team.
  2. een en al helemaal
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. een op website: Etymologiebank.nl
  3. 1 2 "een" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 25 april 2025 Weblink bron “Den Haag krijgt gelijk van de rechter: verbod op fossiele reclames mag” (25 april 2025), NOS
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Achterhoeks

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Zelfstandig naamwoord

een

  1. een, één; het getal 1

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord

Afrikaans

Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Afgeleide begrippen
eenakter eenbedryf eendag eenheid eenkant eenmaal eenoog eenpho
Verwante begrippen
Anagrammen

Drents

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord

Fries

Hoofdtelwoord

een

  1. (dialect: Hindeloopers) een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Schrijfwijzen

Luxemburgs

Uitspraak
Woordafbreking

Onbepaald voornaamwoord

een

  1. men

Middelnederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord
Overerving en ontlening

Verwijzingen

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Overerving en ontlening

Verwijzingen

Onbepaald voornaamwoord

een

  1. ene
  2. men

Verwijzingen

Nedersaksisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Schrijfwijzen
ain één ein en eune ien
enkelvoud meervoud
naamwoord een enen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

een

  1. een, één; het getal 1

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord
Schrijfwijzen
Antoniemen

Noord-Fries

Woordherkomst en -opbouw

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Verwante begrippen

Oost-Fries

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Riograndenser Hunsrückisch

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Sallands

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord
Schrijfwijzen
Verwante begrippen

Saterfries

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Schots

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

een

  1. meervoud van ee

Stellingwerfs

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord
Schrijfwijzen

Twents

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Zelfstandig naamwoord

een

  1. een, één; het getal 1

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord

Urkers

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord
Verwante begrippen

Veluws

Hoofdtelwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

Lidwoord

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord

Westfaals

Hoofdtelwoord

een

  1. (Münsterlands), (Zuidwestfaals) een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Schrijfwijzen

Lidwoord

een

  1. (Zuidwestfaals) een, 'n; een onbepaald lidwoord