effen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen effen effener effenst
verbogen
partitief effens effeners -

Bijvoeglijk naamwoord

effen [3]

  1. glad van oppervlak
  2. gelijk van kleur
  3. zonder het uiten van gevoelens
    • Met een effen gelaat vertelde de man de grootste leugens.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
effenen

effen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
    • Ik effen.
  2. gebiedende wijs van effenen
    • Effen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
    • Effen je?

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "effen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. effen op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Nedersaksisch

Bijwoord

effen

  1. even; zonder moeite , in korte tijd

Veluws

Bijwoord

effen

  1. even; zonder moeite , in korte tijd