eigendom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eigendom -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

eigendom m/o [2]

  1. (juridisch) het recht op de heerschappij over een zaak, de omstandigheid dat een zaak iemand toebehoort
    Immers, was het niet zo dat inbreuken op en beperkingen van vrijheid en eigendom van de burger slechts konden plaatsvinden bij wet, volgens de idealen van de Franse Revolutie en de denkbeelden van de Verlichtingsfilosofen? Uiteindelijk werd de kwestie door de Hoge Raad in het voordeel van de wetgever opgelost.[3]
enkelvoud meervoud
naamwoord eigendom eigendommen
verkleinwoord eigendommetje eigendommetjes
  1. In deze natuurtoestand mogen mensen zichzelf en anderen beschermen en inbreuken op eigendom bestraffen.[3]

Zelfstandig naamwoord

het eigendom o [4]

  1. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "eigendom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. 1 2
    Helen Stout
    “De Nederlandse rechtsstaat” (2015), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048528622
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be