eikel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eikel eikels
verkleinwoord eikeltje eikeltjes

Zelfstandig naamwoord

de eikel m

  1. (plantkunde) vrucht van de eikenboom
    • De eikels lagen voor het oprapen.
  2. (anatomie) (medisch) top van de penis
    • Met een watje en lauw water de eikel schoonmaken.
  3. (scheldwoord), (jongerentaal) dom persoon; sufferd, zak (sinds de jaren 1960)[3]
    • Er stopte ’n kleine MG met twee Engelsen (altijd die ongezond uitziende eikels) naast ons. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
    • Pas maar goed op dan, want er lopen heel wat rare eikels rond in de wereld. (Remco Campert, Tjeempie of Liesje in Luiletterland, 1968)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eikelen

eikel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
    • Ik eikel.
  2. gebiedende wijs van eikelen
    • Eikel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
    • Eikel je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. "eikel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. "eikel" in: De Coster, Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen: Standaard, 2007
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be