els - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
1, 2 enkelvoud meervoud
naamwoord els elzen
verkleinwoord elsje elsjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de els m

  1. (bloemplanten) benaming voor loofbomen uit het geslacht Alnus op Wikispecies in de berkenfamilie (Betulaceae op Wikispecies)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] de els v / m

  1. (gereedschap) priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
Anagrammen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "els" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Oudnederlands Woordenboek
  4. els op website: Etymologiebank.nl

  5. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 20
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. els op website: Etymologiebank.nl

  8. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 19 en 117
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord els else

Zelfstandig naamwoord

els

  1. (gereedschap), (bloemplanten) els
Anagrammen

Catalaans

Lidwoord

els m mv

  1. de

Persoonlijk voornaamwoord

els m mv

  1. hen, ze (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)

els v mv

  1. hen, ze (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)