erf - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

boerderij met erf

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord erf erven
verkleinwoord erfje erfjes

Zelfstandig naamwoord

[A] het erf o

  1. het grondgebied direct rond een boerderij
    • De waakhond begon te blaffen toen ik het erf opkwam.
      Daar stonden ze voor de garage, zij tussen Mutti en vader in, op het erf eronder wachtte de hele familie met Noorse, Duitse en Zweedse vlaggen in hun handen, ze was de eerste Zweedse studente van de familie.[5]
  2. (verheven) het vanaf de tijd van iemands voorouders voortdurend bewoonde land of streek
  3. (verouderd) vererfbaar onroerend goed, m.n. een stuk grond
  4. (verouderd) erfenis, erfdeel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. grond behorend bij boerderijhuis

Zelfstandig naamwoord

[B] de erf v

  1. de kruidachtige plant Stellaria media op Wikispecies
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
erven

erf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    • Ik erf.
  2. gebiedende wijs van erven
    • Erf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    • Erf je?

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "erf" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. erf op website: Etymologiebank.nl
  3. erf op website: Etymologiebank.nl
  4. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 34.

  5. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be