erin - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

| | vnw. bijw. | | | | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------------- | -------------------------------------------------- | | voorzetselbijwoord | in | | | persoonlijk | erin | | | aanwijz. | nabij | hierin | | veraf | daarin | | | vragend/betrekk. | waarin | |

Voornaamwoordelijk bijwoord

(scheidbaar)
erin

  1. persoonlijk: *in+het, in+ze:
    • Het zat erin verstopt.
    • Er zat iets in verstopt.
      Het verbaasde Teresa dat Sarah erin was geslaagd om zichzelf in Santa Justa in de waterput te zien.[2]
      Isaac slaagde erin om in Malaga een geweer te kopen van een vakbondsman die er prat op ging dat hij illegaal op wilde zwijnen joeg op het land van zijn baas.[2]
Uitdrukkingen en gezegden

Het slechter gaan

vluchten

blijven hopen op een goede afloop

’Wie weet er een mop?’ riep een aarzelende stem. Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden. [3]

Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Yoruba

Zelfstandig naamwoord

erin

  1. (slurfdieren) olifant