façade - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord façade façaden, façades
verkleinwoord façadetje façadetjes

Zelfstandig naamwoord

de façade v

  1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
    • De façades van woonhuizen zijn in de loop der eeuwen geëvolueerd.
      Ergens achter deze lonkende façades in het zuchtende praalgraf van de stad moest zich een straat bevinden die Calle Nuova Sant'Agnese heette.[2]
  2. (dysfemisme) het gezicht
    • "Als je nu niet binnen de tien seconden uit mijn ogen bent, zal ik je façade ook vertimmeren", tierde de stiefvader.
  3. valse schijn
    • De hele onderneming was slechts een façade.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "façade" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 22
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
façade la façade façades les façades

Zelfstandig naamwoord

façade v

  1. façade [1]
  2. façade [3]

Verwijzingen