feesten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

de feesten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord feest
    Ik wilde dit gewoon zakelijk houden, Teresa ' 'En dat moet ik geloven?' 'Ik heb wel belangrijkere dingen aan mijn hoofd dan me druk maken om een of andere rijke guiri die graag grote feesten geeft.[1]
    Niettemin vereiste de ridderethiek ook dat het binnengekomen geld met bakken werd uitgegeven aan drinkgelagen en feesten voor het voetvolk.[2]
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
feesten feestte gefeest
zwak -t volledig

Werkwoord

feesten

  1. inergatief een feestje vieren
    Van alle jaren die heb vergooid, de eenzaamheid die ik probeerde weg te drinken, weg te feesten met mensen die niks om mij gaven.[3]
    Er ontstond zelfs een klein clubje dat nog maar heel weinig liep en van het ene naar het andere dorp liftte om daar dan dagenlang te hangen en te feesten, om vervolgens alleen de mooie stukken te lopen.[4]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  2. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275

  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be