fiasco - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fiasco fiasco's
verkleinwoord fiascootje fiascootjes

Zelfstandig naamwoord

het fiasco o

  1. grote mislukking
    • Zijn plannen waren onhaalbaar en liepen op een fiasco uit.
      En het werd meer dan normaal toen ze algauw in hun gebruikelijke, levendige discussie verwikkeld raakten over goed en kwaad in deze tijd en vooral over het fiasco van de stormtroepenpartij.[3]
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "fiasco" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. fiasco op website: Etymologiebank.nl

  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Categorieën: