flap - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord flap flappen
verkleinwoord flapje flapjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de flap m

  1. korte snelle beweging of het geluid dat een vlak van soepel materiaal bij zo'n beweging maakt
  2. omgeslagen stuk van een lap textiel
  3. (medisch) omgeslagen stuk van een lap vlees of weefsel
  4. (kookkunst) koek of gebak uit dun deeg dat om een vulling is geslagen appelflap
  5. groot vel papier aan een bord
  6. klep om iets af te sluiten
  7. (boekbinderij) naar binnen omgeslagen deel van een losse boekomslag
    • Op de flap voorin stond een kort stukje over de auteur
  8. (informeel) betaalmiddel in de vorm van een gedrukt biljet
  9. (plantkunde) benaming voor zoetwateralgen die een door elkaar gestrengelde massa vormen
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
flap-over flapaandewand flapdeksel flapdrol flaphoed flapkan flapmadam flapoor flapoperatie flapoverbord flappentap flapper flapperen flaproer flapschoen flaptekst flapuit
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
flappen

flap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flappen
    • Ik flap.
  2. gebiedende wijs van flappen
    • Flap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flappen
    • Flap je?

Tussenwerpsel

[A] flap

  1. doffe geluid zoals dat ontstaat bij een snelle, korte beweging van een soepel vlak
  2. om een snelle, korte beweging aan te geven
enkelvoud meervoud
naamwoord flap flaps
verkleinwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie in deze vorm.

Zelfstandig naamwoord

[B] de flap m

  1. (luchtvaart) beweegbare klep aan een vliegtuigvleugel, bij het landen uitgeklapt om het draagvlak te vergroten
  2. (boekbinderij) naar binnen omgeslagen deel van een los boekomslag
    • Op de flap achterin wordt zijn vorige boek aangeprezen.
  3. (fonetiek) korte medeklinker die in het spraakkanaal wordt geproduceerd zonder extra opbouw van lucht
    • De alveolaire flap.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. 1 2 flap op website: Etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. "flap" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  8. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
flap flaps

Zelfstandig naamwoord

flap

  1. loshangend uiteinde van iets
  2. mep zn , tik zn
  3. flapperende beweging
  4. (luchtvaart) flap [1], vleugelklep
  5. (fonetiek) flap [3]
  6. (medisch) loshangend weefsel (bij een chirurgische operatie)
  7. (anatomie), (vulgair) vulva zn
  8. (seksualiteit), (beroep) (vulgair) hoer zn , prostituee
vervoeging
onbepaalde wijs to flap
he/she/it flaps
verleden tijd flapped
voltooid deelwoord flapped
onvoltooid deelwoord flapping
gebiedende wijs flap

Werkwoord

flap

  1. onovergankelijk, fladderen, flapperen
  2. overgankelijk doen flapperen/fladderen; uitslaan [8]
  3. overgankelijk een mep/tik geven
  4. overgankelijk, (fonetiek) als een flap zn uitspreken
  5. onovergankelijk, (fonetiek) (v.e. spraakklank) als een flap zn worden uitgesproken