fleur - WikiWoordenboek (original) (raw)

Een fruitboom in volle fleur

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fleur -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de fleur v / m

  1. florerende toestand
  2. (figuurlijk) opgewekte, positieve stemming of uitstraling
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord fleur fleuren
verkleinwoord fleurtje fleurtjes

Zelfstandig naamwoord

de fleur v / m

  1. (sport) (hengelsport) lijn met aan de ene kant dobber, haakje en aas die aan de andere kant opgerold om een klosje aan het topje van de hengel is vastgemaakt, zodat de lijn eerst afrolt en dus wat meegeeft als een snoek in het aas bijt

Werkwoord

vervoeging van
fleuren

fleur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
    • Ik fleur.
  2. gebiedende wijs van fleuren
    • Fleur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
    • Fleur je?

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "fleur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. fleur op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. fleur op website: Etymologiebank.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
fleur la fleur fleurs les fleurs

Zelfstandig naamwoord

fleur v

  1. (plantkunde) bloem [1]
Afgeleide begrippen

Verwijzingen