fleur - WikiWoordenboek (original ) (raw )
Een fruitboom in volle fleur
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bloeiende toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1521 [1]
van Frans fleur ;[2] [3] (het is onzeker of dit ook de herkomst van de term uit de hengelsport is) [4] [5]
de fleur v / m
florerende toestand
(figuurlijk ) opgewekte, positieve stemming of uitstraling
de fleur v / m
(sport ) (hengelsport) lijn met aan de ene kant dobber, haakje en aas die aan de andere kant opgerold om een klosje aan het topje van de hengel is vastgemaakt, zodat de lijn eerst afrolt en dus wat meegeeft als een snoek in het aas bijt
fleur
eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
gebiedende wijs van fleuren
(bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
91 %
van de Nederlanders;
87 %
van de Vlamingen.[6]
↑ "fleur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen , 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org ; ISBN 90 204 2045 3
↑ fleur op website: Etymologiebank.nl
↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
↑ fleur op website: Etymologiebank.nl
↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
fleur v
(plantkunde ) bloem [1]