flink - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen flink flinker flinkst
verbogen flinke flinkere flinkste
partitief flinks flinkers -

Bijvoeglijk naamwoord

flink

  1. (anatomie) groot en/of stevig, krachtig van lichaamsbouw
    • Je zoon is al een flinke jongen geworden.
  2. groot van afmeting, hoeveelheid of kracht
    • Hij nam een flinke teug van het bierflesje.
    • Jan heeft een flink pak slaag gekregen.
      Deze fabrikanten proberen elkaar flink af te troeven. "Er is echt een innovatie-oorlog gaande. Omdat er nu zo veel concurrentie is, probeert iedereen nieuwe functies in een auto te stoppen", zegt Van Dillen. Niet elke innovatie is volgens hem even geslaagd. "Veel van de nieuwe Chinese auto's hebben een waslijst aan innovaties waar mensen waarschijnlijk niet veel van zullen gebruiken."[4]
  3. (figuurlijk) sterk van karakter
    • Wees een flinke jongen en gedraag je.
  4. (verouderd) vlug, snel
    De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat hij haar niet te veel derangeerde.[5]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. stevig van lichaamsbouw

2. groot van afmeting of hoeveelheid

Bijwoord

flink

  1. in hoge mate, veel, snel
    • Als ze wil kan ze flink eten.
      Met de overgrote meerderheid van de kinderen in de studie was van tevoren al weinig aan de hand, en hoewel sommigen rondom de geboorte van hun broertje of zusje inderdaad wat gedragsproblemen vertoonden - met name agressie kon flink toenemen - waren de meesten van hen na vier maanden alweer de oude.[6]
      Prompt trekt William een 'melancholisch gezicht, met zijn mondhoeken flink naar beneden' - onmiskenbaar een teken van inlevingsvermogen, aldus zijn vader.[6]
      Ik zette er flink de pas in en na een tijdje begon ik bijna te rennen want ik kon de hamburgers al ruiken![7]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. flink op website: Etymologiebank.nl
  2. "flink" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. flink op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron
    Aïda Brands
    “Chinese elektrische auto's booming in Europa ondanks heffingen” (24 april 2025), NOS
  5. Bronlink Weblink bron
    J.J. Cremer
    Romantische werken, Deel IX (1879), D. Noothoven van Goor, Leiden in: Dokter Helmond en zijn vrouw, p.134 op dbnl.org op Wikipedia
  6. 1 2
    Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697

  7. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

stellend attributief
flink flinke

Bijvoeglijk naamwoord

flink

  1. flink
    «Aangenaam verras, maar met ’n flinke skeut sinisme.»
    Aangenaam verrast, maar met een flinke scheut cynisme.

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

flink

  1. vlug, snel

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 01-05-2024 Weblink bron
    Wolfgang Pfeifer et al.
    “Etymologisches Wörterbuch des Deutschen”, digitalisierte und von Wolfgang Pfeifer überarbeitete Version im Digitalen Wörterbuch der deutschen Sprache (1993)