flitsen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
flitsen flitste geflitst
zwak -t volledig

Werkwoord

flitsen

  1. een flits veroorzaken, maken of gebruiken
    • Om in het donker foto's te kunnen maken moet je flitsen.
  2. auto's fotograferen die te snel rijden om een boete te kunnen geven
    • Mijn dochter en ik zijn tweemaal geflitst in Nijmegen.
  3. een snelle beweging maken
    Ze lijkt wel een gekooid dier, en haar ogen flitsen zoekend langs de galerij.[2]
    • De wielrenners van de Tour de France flitsen voorbij.
  4. heftig maar kort aanwezig zijn
    • De rampen die zouden kunnen gebeuren flitsten door mijn hoofd toen ik de kinderen bij het ravijn zag spelen.
      Tijdens de laatste kilometers liet ik alle herinneringen van de trail in een noodvaart door mijn hoofd flitsen, misschien zoals mensen die een bijna-doodervaring hebben.[3]

Zelfstandig naamwoord

de flitsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord flits

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "flitsen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be