fort - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fort forten
verkleinwoord fortje fortjes

Zelfstandig naamwoord

het fort o

  1. (militair) bouwwerk om de eigen positie te versterken
    • De strijders hadden zich verschanst in een fort.
  2. (figuurlijk) sterke kant, sterk punt, sterke zijde (meestal in ontkennende zin)
    • Dat is mijn fort niet.
  3. (wonen) groot woonhuis voor meerdere gezinnen tegelijk, vaak begonnen als eengezinswoning
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "fort" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak

Bijwoord

fort

  1. weg, verdwenen
    «Er ist schon lange fort
    Hij is allang weg.
  2. verder
Synoniemen

Frans

Uitspraak

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------------- | | mannelijk | fort | forts | | vrouwelijk | forte | fortes |

Bijvoeglijk naamwoord

fort

  1. sterk
Afgeleide begrippen

Bijwoord

fort

  1. in sterke mate; heel bw ; erg bw
  2. veel bw