front - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

voorste gevechtslinie van een leger

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord front fronten
verkleinwoord frontje frontjes

Zelfstandig naamwoord

het front o [3]

  1. voorkant, voorzijde
  2. (militair) voorste gevechtslinie van een leger in een oorlog, frontlinie
  3. (meteorologie) de begrenzing tussen twee luchtmassa's met een andere temperatuur
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

tot verweer gereed staan [5]

Vertalingen

2. begrenzing tussen twee luchtmassa's

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "front" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. front op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. www.parool.nl (22 sep 2025)
  5. Stoett, www.dbnl.org
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Catalaans

enkelvoud meervoud
front fronts

Zelfstandig naamwoord

front m

  1. (anatomie) voorhoofd

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
front fronts

Zelfstandig naamwoord

front

  1. voorkant, voorzijde

Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
front le front fronts les fronts

Zelfstandig naamwoord

front m

  1. voorkant, voorzijde
  2. (anatomie) voorhoofd
  3. (militair) front [2]
  4. (meteorologie) front [3]
Afgeleide begrippen

Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

front

  1. genitief meervoud van fronta