fundament - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fundament fundamenten
verkleinwoord fundamentje fundamentjes

Zelfstandig naamwoord

het fundament o

  1. de basis waarop een huis wordt gebouwd
    • Het fundament was verzakt dus kwamen er diverse scheuren in de muren.
  2. de basis waarop verder gewerkt kan worden
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "fundament" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. www.nrc.nl (16 apr 2025)
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be