gaarde - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gaarde gaarden
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

de gaarde v / m

  1. (scheepvaart) bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
  2. meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
  3. taai, recht wilgenhout voor rijswerk
  4. (verouderd) omheinde ruimte, tuin (vooral nog als laatste deel in eigennamen en samenstellingen)
    De kat wil uit den gaarde niet, En zij laat haar muizen niet[3]
  5. (religie) paradijs
    • Over de gaarde wordt in de Koran gesproken in de zin van het paradijs dat aan Adam en zijn vrouw als woonplaats werd gegeven.
    • 'Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijkt een woud'.[4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
garen

gaarde

  1. enkelvoud verleden tijd van garen
    • Ik gaarde.
    • Jij gaarde.
    • Hij, zij, het gaarde.
    • ... door mijn vingers verglijden de kruimels, die 'k gaarde van 't godenfestijn in de hemelenzaal.[5]

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen