gannef - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gannef gannefengannefsganneven(gannovem)
verkleinwoord (gannefje) (gannefjes)

Zelfstandig naamwoord

de gannef m

  1. (Bargoens), meestal (scheldwoord) dief, oplichter, schurk
    • Alles is gejat door die gannef!
  2. meestal (schertsend) boef, schelm (over kinderen die op een slimme manier toch hun zin krijgen)
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord

Werkwoord

vervoeging van
ganneven

gannef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ganneven
    • Ik gannef.
  2. gebiedende wijs van ganneven
    • Gannef!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ganneven
    • Gannef je?

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
8 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "gannef" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be