gapen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
gapen gaapte gegaapt
zwak -t volledig

Werkwoord

gapen

  1. inergatief heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    • Hij moest gapen en trok een gek gezicht bij zijn poging het te onderdrukken.
  2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    • Zij stond te gapen bij dat bizarre monument.
  3. (figuurlijk) een groot gat/grote holte vertonen; wijd openstaan
    • Er gaapte een diepe wond in zijn arm.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan

2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken

Zelfstandig naamwoord

de gapen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gaap

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "gapen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. gapen op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be