garf - WikiWoordenboek (original) (raw)
- In de betekenis van ‘schoof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1170 [1] [2] [3]
- erfwoord: Middelnederlands garve, ontwikkeld uit West-Germaans *garbōn, eigenlijk ‘het (samen)gegrepene’.[2] Evenals Nederduits Garv, Garf, Duits Garbe en Saterfries jierwe.
de garf v / m [4]
- (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
- (bij uitbreiding) pachtgeld
1. samengebonden bundel halmen
garf
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garven
- gebiedende wijs van garven
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garven
| 12 % |
van de Nederlanders; |
| 11 % |
van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "garf" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2 garf op website: Etymologiebank.nl
- ↑ garf op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be