garf - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord garf garven
verkleinwoord garfje garfjes

Zelfstandig naamwoord

de garf v / m [4]

  1. (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
  2. (bij uitbreiding) pachtgeld
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. samengebonden bundel halmen

Werkwoord

vervoeging van
garven

garf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garven
    • Ik garf.
  2. gebiedende wijs van garven
    • Garf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garven
    • Garf je?

Gangbaarheid

12 % van de Nederlanders;
11 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "garf" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 garf op website: Etymologiebank.nl
  3. garf op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be