gay - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gay gays
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de gay m

  1. (lhbt) iemand die seksueel wordt aangetrokken door mensen met hetzelfde geslacht
Synoniemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gay gayer gayst
verbogen gaye (gayere) gayste
partitief gays gayers -

Bijvoeglijk naamwoord

gay

  1. (lhbt) homoseksueel
    EMI, de platenmaatschappij van de Torn Robinson Band, zit met de kwestie dat Torn zijn nummer „Glad to be gay" („Blij een homo te zijn"), op singel wil uitbrengen. EMI durft dat nog niet helemaal aan.[3]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. gay op website: Etymologiebank.nl
  2. "gay" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink Weblink bron Harrewar (29-10-1977), Leeuwarder courant, hoofdblad van Friesland, Leeuwarden in: Wekelijkse bijlage, p. 23.
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
gay gays

Zelfstandig naamwoord

gay

  1. (lhbt), (persoon) homoseksueel
stellend vergrotend overtreffend
gay gayer gayest

Bijvoeglijk naamwoord

gay

  1. (lhbt) homoseksueel
  2. luchtig [2], opgewekt, vrolijk
  3. helder [1]
  4. (AE) brutaal

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
gay le gay gays les gays

Zelfstandig naamwoord

gay m

  1. (spreektaal) (lhbt) homo [1]

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------- | | mannelijk / vrouwelijk | gay | gays |

Bijvoeglijk naamwoord

gay

  1. (spreektaal) (lhbt) gay bn ; homoseksueel bn

Verwijzingen

  1. Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 103

Middelnederlands

Bijvoeglijk naamwoord

gay

  1. vrolijk, levendig, opgewekt
    «Menich rudder van herten gay
    Menig ridder, vrolijk van hart.

Zelfstandig naamwoord

gay m

  1. (zangvogels) gaai
  2. (papegaaiachtigen) papegaai

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

gay m bezield

  1. (lhbt) (spreektaal) homoseksueel; in de nauwe betekenis tot alleen mannen, die aangetrokken zijn tot mannen
  2. (lhbt) homoseksueel; in de brede betekenis tot zowel mannen als vrouwen, die aangetrokken zijn tot hun eigen geslacht
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief gay gayové
genitief gaye gayů
datief korte vorm gayi gayům
lange vorm gayovi
accusatief gaye gaye
vocatief gayi gayové
locatief korte vorm gayi gayích
lange vorm gayovi
instrumentalis gayem gayi
Synoniemen

Verwijzingen

Bijvoeglijk naamwoord

gay

  1. (lhbt) homoseksueel
Verbuiging
Synoniemen