gebod - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebod geboden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het gebod o

  1. opgelegde verplichting
Vertalingen

1.

Albanees: urdhërim (sq) Arabisch: أمر (ar) Baskisch: agindu (eu) Catalaans: manament (ca) Deens: bud (da) Duits: Gebot (de) o Engels: commandment (en) Esperanto: ordono (eo) Frans: commandement (fr) m Galicisch: mandamento (gl) Italiaans: comandamento (it) Latijn: praescriptus (la) Papiaments: mandamentu Perzisch: فرمان (fa) Pools: przykazanie (pl) Portugees: mandamento (pt) Slowaaks: prikázanie (sk) Spaans: mandamiento (es), mando (es) m Zweeds: bud (sv)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "gebod" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be