geeuwen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Zelfportret van Joseph Ducreux (1735-1802).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
geeuwen geeuwde gegeeuwd
zwak -d volledig

Werkwoord

geeuwen

  1. inergatief onwillekeurig den mond opsperren en tevens diep inademen en weer uitademen
    • Als je iemand hebt zien geeuwen is er een kans van 55 procent dat jij binnen vijf minuten ook zal geeuwen.
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

de geeuwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord geeuw

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "geeuwen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be