gekraak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekraak
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het gekraak o

  1. het kraken
    • Het gekraak van de traptreden verried de inbreker.
    • Aan de hoogste flanken van de bergen kleven donzige wolken, als uit elkaar gerafelde wattenproppen. Stil is de vallei niet: de Dora, vijfhonderd meter dieper, tolt gezwind naar beneden en het gebruis is tot hier hoorbaar. Een pompende ademhaling en het gekraak van de pedalen in de bochtjes komen daarbovenop.[2]
    • De Australische grote pijlstormvogels op Lord Howe Island maakten hoorbaar een krakend geluid als je ze voorzichtig op de buik duwde. Dit was alles behalve normaal, realiseerden de biologen die de vogels bestudeerden zich meteen.
      Het gekraak kwam door honderden stukjes plastic in de maag van de vogels.[3]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 05 MAART 2011 Tim Vanderjeugd Op twee wielen tussen berg en dal
  3. www.nrc.nl (22 mei 2025)
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be