gelijk - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘overeenkomend’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
- Van Germaans *galikaz, vanwaar ook Gotisch 𐌲𐌰𐌻𐌴𐌹𐌺𐍃 (galeiks), Angelsaksisch ġelīc, Oudhoogduits gilīh
- Naamwoord van handeling van lijken met het voorvoegsel ge-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gelijk | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
het gelijk o
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- gelijk hebben
een gedachte hebben die overeenkomt met de werkelijkheid
• Die 18-jarige Goldie had helemaal gelijk, waarom kon ik niet gewoon van het moment genieten? [2]
• Hij heeft gelijk, het is mijn schuld.
∗ Wie weet heeft Joy gelijk en anders slaan we een stukje verderop een kamp op.[3]
menschen van eene soort hebben dezelfde eigenschappen of rechten; ook bij het verdeelen van iets: menschen met gelijke rechten maken aanspraak op gelijke deelen.
Vertalingen
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | gelijk | gelijker | gelijkst |
| verbogen | gelijke | gelijkere | gelijkste |
| partitief | gelijks | gelijkers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
gelijk
- met elkaar overeenstemmend
- Gelijke monniken, gelijke kappen.
▸ Belangenorganisatie COC zegt dat ook de regenbooggemeenschap waardering had voor hem, omdat hij homoseksualiteit en transgender personen een stuk minder veroordeelde dan zijn voorgangers. "Hij sprak geen oordeel uit over lhbti+, hij stond de zegen voor paren van gelijk geslacht toe, net als de doop voor transgender mensen. Dat is door veel mensen in de regenbooggemeenschap zeer gewaardeerd", zegt een woordvoerder van COC tegen het ANP.[5]
- Gelijke monniken, gelijke kappen.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. met elkaar overeenstemmend
Bijwoord
gelijk
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- gelijkstaan: de wedstrijd stond gelijk.
Uitdrukkingen en gezegden
- gelijk zijn aan
Vertalingen
gelijk zijn aan
- Duits: identisch sein mit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gelijken |
gelijk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
- Ik gelijk.
- gebiedende wijs van gelijken
- Gelijk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
- Gelijk je?
Gangbaarheid
- Het woord gelijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "gelijk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[6] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "gelijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
- ↑
Marion Pauw e.a.
“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340 - ↑
Weblink bron
F.A. Stoett
“Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden.”, vierde druk (1923-1925), W.J. Thieme & Cie, Zutphen, p. 43 op dbnl.org
- ↑
Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be