geluidloos - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geluidloos geluidlozer geluidloost
verbogen geluidloze geluidlozere geluidlooste
partitief geluidloos geluidlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

geluidloos

  1. zonder geluid te maken
    • De inbreker wist geluidloos het huis binnen te sluipen.
    • Ze pruilt, barst uit in irrationele woede, of huilt geluidloos. [1]
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. de Volkskrant Floortje Smit 2 januari 2019 The Favourite is verschrikkelijk grappig en oneindig tragisch (vijf sterren)
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be