genoom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord genoom genomen
verkleinwoord genoompje genoompjes

Zelfstandig naamwoord

het genoom o

  1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
    • In de bijles kreeg hij uitgelegd wat een genoom is.
Vertalingen

1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme

Catalaans: genoma (ca) m Deens: genom (da) o Duits: Genom (de) o Engels: genome (en) Fins: genomi (fi), perimä (fi) Frans: génome (fr) m Interlingua: genoma (ia) Italiaans: genoma (it) m Japans: ゲノム (ja) Koreaans: 게놈 (ko) Pools: genom (pl) m Portugees: genoma (pt) m Roemeens: genom (ro) o Spaans: genoma (es) m Turks: genom (tr) Volapük: genom (vo)

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "genoom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. genoom op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be