geouwehoer - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geouwehoer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het geouwehoer o

  1. zeurende en klagende onzin
    • Al dat slappe geouwehoer op de TV ben ik helemaal zat.
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be