geschenk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geschenk geschenken
verkleinwoord geschenkje geschenkjes

Zelfstandig naamwoord

het geschenk o

  1. iets dat men iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
    • De geschenken lagen onder de kerstboom.
      'Ik ben al heel lang uit de wieg,' mompelt ze, en ze raakt nog meer in de war als ze opeens aan het ongewenste geschenk van de miniatuurmaker moet denken.[1]
  2. iets dat men krijgt
    Wat een geschenk om met deze dames te hebben opgetrokken. Dit zou nooit gebeurd zijn als ik zo gehaast als thuis was geweest.[2]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


  1. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be