geus - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord geus geuzen
verkleinwoord geusje geusjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de geus m

  1. (persoon) (geschiedenis) elk van de edelen van het Verbond in 1566 en later de vijanden van de regering van koning Philips II in de Nederlanden
  2. (persoon) (figuurlijk) iemand die zich daadwerkelijk verzet tegen gezag dat zich misdraagt

[A] de geus v / m

  1. kleine vlag met stervormige rood-wit-blauwe banen op de voorplecht van schepen, gehesen op zon- en feestdagen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
stellend
onverbogen geus
verbogen (geuze)

Bijvoeglijk naamwoord

[A] geus

  1. (geschiedenis) behorend tot de Nederlandse opstandelingen tegen koning Philips II in de 16e eeuw
  2. (religie) (verouderd) protestant
Antoniemen
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord geus geuzen
verkleinwoord geusje geusjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de geus m

  1. gegoten ijzer in de vorm van een langwerpig blok met schuine zijden
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[10]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. vrijheidsstrijder geus op website: Etymologiebank.nl
  3. "geus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. vlag geus op website: Etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  8. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  9. gieteling geus op website: Etymologiebank.nl
  10. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be