gooi - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
gooien

gooi

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gooien
    • Ik gooi.
  2. gebiedende wijs van gooien
    • Gooi!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gooien
    • Gooi je?
enkelvoud meervoud
naamwoord gooi gooien
verkleinwoord gooitje gooitjes

Zelfstandig naamwoord

de gooi v / m

  1. handeling van het werpen of iets wat geworpen wordt
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. gooi op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be