gramschap - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gramschap gramschappen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de gramschap v

  1. (formeel) woede, boosheid, kwaadheid, toorn
Verwante begrippen
Vertalingen

1.

Engels: anger (en) Spaans: cólera (es) m, enojo (es) m, ira (es) v

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. gramschap op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be