grom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grom grommen
verkleinwoord grommetje grommetjes

Zelfstandig naamwoord

de grom m

  1. grommend geluid, meestal geen teken van tevredenheid [3]
  2. ingewanden
  3. afval
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
grommen

grom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grommen
    • Ik grom.
  2. gebiedende wijs van grommen
    • Grom!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grommen
    • Grom je?

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "grom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be