gruis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gruis gruizen
verkleinwoord gruisje gruisjes

Zelfstandig naamwoord

het gruis o

  1. kleine stukjes steen, grover dan stof, fijner dan brokken steen
    • Bij het afbreken van het huis kwam de hele tuin onder het gruis
      De afdaling vanaf Sonora Pass viel me erg tegen, het pad was opvallend lastig met veel los gruis waardoor ik goed moest opletten om niet van de steile vulkaanhelling af te glijden.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gruizen

gruis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gruizen
    • Ik gruis.
  2. gebiedende wijs van gruizen
    • Gruis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gruizen
    • Gruis je?

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "gruis" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be