haai - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haai haaien
verkleinwoord haaitje haaitjes

Zelfstandig naamwoord

de haai m

  1. (kraakbeenvissen) benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha op Wikispecies
  2. (scheldwoord) hebzuchtig, inhalig persoon (met een grote bek)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

verloren

er dreigt gevaar

Vertalingen

1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha

Werkwoord

vervoeging van
haaien

haai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien
    • Ik haai.
  2. gebiedende wijs van haaien
    • Haai!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien
    • Haai je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. haai op website: Etymologiebank.nl
  2. "haai" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be