haak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haak haken
verkleinwoord haakje haakjes

Zelfstandig naamwoord

de haak m

  1. (techniek) een soort gebogen nagel [3], waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen
    ' 'Dat gebeurt ons weleens,' zegt Nella over haar schouder, terwijl ze de ketel aan de haak hangt om het water voor de thee te koken.[2]
  2. Regel in genummerde lijst
    Het vederwild hangt aan een haak en lijkt volledig uit veren en klauwen te bestaan.[3]
    • De jas hangt aan de haak.
  3. winkelhaak (3 mogelijkheden !)
  4. (biologie) haakvormig gebogen plantendeel
  5. elk van de tekens, rond of met hoeken, om woorden of getallen af te zonderen dus ( ) [ ]
  6. (visserij) gebogen stuk metaal met scherpe punt waarmee men vissen kan vangen
    Helaas ben ik nooit een erg geduldige man geweest, dus ging ik al na een kwartier op een andere plek zitten om daar mijn geluk te beproeven. Toen ik ook daar geen succes had, zocht ik weer een andere plek op maar de vissen bleven vrolijk om mijn haak heen zwemmen.[4]
    Gedesillusioneerd rolde ik mijn vislijn weer op en borg het haakje weer veilig weg.[4]
  7. zandplaat
  8. (communicatie) deel van een vaste telefoon waarop de hoorn ligt
    Ze legde de hoorn weer op de haak en tikte haar sigaret af in een reusachtige marmeren asbak.[5]
Uitdrukkingen en gezegden

Zich ongevraagd in iets mengen (een gesprek tussen anderen e.d.)

[2] "winkelhaak"

Niet goed zitten, niet kloppen, fout/verkeerd zijn

Dat zaakje is niet in de haak, er zit een luchtje aan.

Het is niet in de haak wat er nu gebeurt.

[5] "gebogen stuk metaal met scherpe punt waarmee men vissen kan vangen"

Iemand te pakken krijgen, met name in de zin dat het je lukt om een liefdesrelatie met iemand te krijgen na (langdurig) proberen (letterlijk: iemand die aan het hengelen is en dan een vis aan de haak heeft.)

Hij heeft een rijke vrouw aan de haak geslagen.

Hij heeft Guggenheim aan de haak weten te slaan en hij zal heus niet bij haar weg zijn gegaan zonder haar nog wat aas voor te houden.[5]

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
haken

haak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haken
    • Ik haak.
  2. gebiedende wijs van haken
    • Haak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haken
    • Haak je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "haak" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332

  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  4. 1 2
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be