hal - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hal hallen
verkleinwoord halletje halletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] hal v / m

  1. ruimte achter de voordeur
    ' Alfonso keek langs Harold heen de donkere hal in.[2]
  2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
    Ik herinner me de sensatie toen ik de trap af liep in dat lichte en zonnige huis waar alles nieuw rook, uitkijkend op de hal met de gele en donkerrode plavuizen, waar zachtgeel geschilderde deuren op uitkwamen.[3]
  3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. ruimte achter de voordeur

2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte

3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten

enkelvoud meervoud
naamwoord hal -
verkleinwoord halletje -

Zelfstandig naamwoord

[B] het hal o

  1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
Vertalingen

1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  3. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Deens

Woordafbreking

Werkwoord

hal

  1. gebiedende wijs van hale

Hongaars

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. (dierkunde) vis

Indonesisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. toestand, omstandigheid, geval
    «dalam hal demikian»
    in dat geval
  2. geval, kwestie, punt, feit, reden
    «Tiga hal yang menjadi pokok pertikaian.»
    Drie kwesties vormen de kern van dit conflict.
    «karena satu dan lain hal»
    om de een of andere reden
  3. over, ten aanzien van
    «ceramah hal keluarga berencana»
    een lezing over gezinsplanning
  4. (spreektaal) gegalvaniseerd plaatijzer
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Middelengels

enkelvoud meervoud
naamwoord hal hales
verkleinwoord
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. hal; een grote overdekte ruimte
  2. villa, herenhuis
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Noors

Woordafbreking
Naar frequentie 3439

Werkwoord

hal

  1. gebiedende wijs van hale

Nynorsk

Woordafbreking

Werkwoord

hal

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast hale, zie aldaar

Werkwoord

hal

  1. gebiedende wijs van hala
Schrijfwijzen

hal

  1. gebiedende wijs van hale
Schrijfwijzen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. genitief meervoud van hala

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. genitief meervoud van halo

Werkwoord

hal

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord halit

Turks

Woordafbreking
enkelvoud meervoud
nominatief hal haller
genitief halin hallerin
datief hale hallere
accusatief hali halleri
locatief halde hallerde
ablatief halden hallerden

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. toestand, situatie, omstandigheid, staat