hamer - WikiWoordenboek (original) (raw)

[1] Een hamer (klauwhamer).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hamer hamers
verkleinwoord hamertje hamertjes

Zelfstandig naamwoord

de hamer m

  1. (gereedschap) werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
    • Hij probeerde met de hamer hard op de spijker te slaan, maar raakte per ongeluk zijn duim.
  2. (anatomie) een van de drie gehoorbeentjes in het oor
    • De hamer heeft een belangrijke functie bij het overdragen van geluid in het oor.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

In een zeer ongunstige positie zijn

Vertalingen

1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan

2. een van de gehoorsbeentjes in het oor

Werkwoord

vervoeging van
hameren

hamer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hameren
    • Ik hamer.
  2. gebiedende wijs van hameren
    • Hamer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hameren
    • Hamer je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hamer" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hamer

  1. (gereedschap) hamer

Meer informatie

Bislama

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hamer

  1. (gereedschap) hamer

Meer informatie