haspel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haspel haspelshaspelen
verkleinwoord haspeltje haspeltjes

Zelfstandig naamwoord

de haspel m

  1. (werktuigbouwkunde) een werktuig voor het op- of afwinden van kabels, slangen enz.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
haspelen

haspel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haspelen
    • Ik haspel.
  2. gebiedende wijs van haspelen
    • Haspel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haspelen
    • Haspel je?

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "haspel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. haspel op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be