hechten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
hechten hechtte gehecht
zwak -t volledig

Werkwoord

hechten

  1. overgankelijk (medisch) een wond dichtnaaien
    • De operatie was geslaagd en de wond kon gehecht worden erin.
  2. inergatief ~ aan belang toewijzen aan iets
    • Hij hechtte eraan zijn dankbaarheid daarvoor te tonen.
  3. wederkerend zich ~ aan
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

goedkeuring of toestemming ergens aan geven

Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

de hechten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hecht

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hechten" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Achterhoeks

Werkwoord

hechten

  1. hijgen; zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning

Nedersaksisch

Werkwoord

hechten

  1. hijgen; zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning

Twents

Werkwoord

hechten

  1. hijgen; zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning