heft - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heft heften
verkleinwoord heftje heftjes

Zelfstandig naamwoord

het heft o

  1. het handvat van een mes
Vertalingen

1. het handvat van een mes

Werkwoord

vervoeging van
heffen

heft

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heffen
    • Jij heft.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heffen
    • Hij heft.
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van heffen
    • Heft!
      Cornelia heft haar ogen ten hemel.[2]
      'Ik ben geen ' 'Waarom denk je dat jij anders bent?' Voordat Thea antwoord kan geven, heft de voerman zijn zweep boven de flank van het paard.[2]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "heft" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Koerdisch

Telwoord (kur)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

heft

  1. zeven