hoepel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoepel hoepels
verkleinwoord hoepeltje hoepeltjes

Zelfstandig naamwoord

hoepel [4] op een rolstoel

de hoepel m

  1. een ringvormige metalen band, met name om de duigen van een vat bijeen te houden
  2. iedere ringvormige band in de vorm van [1]
  3. (speelgoed) een ringvormig voorwerp gebruikt door kinderen om rond hun middel rond te draaien
  4. een ringvormige rand vastgemaakt aan het wiel van een rolstoel waarmee de gebruiker de rolstoel kan voortbewegen
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

4. Onderdeel van een rolstoel

Werkwoord

vervoeging van
hoepelen

hoepel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoepelen
    • Ik hoepel.
  2. gebiedende wijs van hoepelen
    • Hoepel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoepelen
    • Hoepel je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hoepel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hoepel hoepels

Zelfstandig naamwoord

hoepel

  1. hoepel